Skip to content
1637

Amsterdams minne-beekje. Deel 2

Anoniem

Stemme: Ach moorderesse, straffe Herderin, ACh Harderinne, die my ontvlucht, In het dichte belommerde Woudt, Mijn schaepjens treuren, om het gesucht,

Daer ghy my meed' onderhoud' Ja de Bergen, de Boomen, Bos en dal, Staen en treuren om mijn droef klagen, Gaen ick weyden aende strandt, 't Schijnt het mulle drooghe zandt, Kan mijn suchtjens niet al verdragen. 2 Het Nachtegaeltje schort zijn soet gesangh, Al de Beemden staen bedouwt Van myne tranen, en mijn geween Dat beweeght het gantsche woudt, Ja de kruyden, de spruyten, de bladen, en 't lof Sijn beweeght door al myne suchjes, En ghy met u wreede hert, Hout mijn overgroote smart, Voor u aenghenaemste kluchjes 3 De gure winden verkoelen niet meer Mijn bedompt en branden 't hart 't Schijnt datse vluchten, om dat haer kracht Door mijn branden verhindert wert, Ja de stroomen die roocken, indien mijn borst Haer ontrent komt te genaken,

En ghy kund mijn branden 't hart, Wel verlichten van de smart Laet u hertjen in weerliefd blaken. 4 Ick ga des morgens vroegh voor u tent, Te betrapen u voor den dagh, 't Schijnt dat mijn komen u is bekent Want ick nimmer u en sagh, Eer dat Phoebus zijn stralen ter kimmen uytsteeckt Sijt ghy met al u vee te velde, 't Schijnt Aurora u opweckt, En mijn droeve komst vertreckt, Ock kon sy mijn droefheyt melde. C. D. Wittenoom.

Soeckt en yvert.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdams minne-beekje. Deel 2 · Anoniem · Poetry Cove