Skip to content
1637

Amsterdams minne-beekje. Deel 2

Anoniem

Stemme: Periosta. TRots' Amira sal nemmermeer de min Plaets grypen in u spiere-witte borst, Sult g' afkeerigh weerstribblen oyt van sin

De gulde flits van Paphos groote Vorst, Wiens stercke kracht de Goden selfs ontsien, En zijn Autaer dienstwilligh offer bien. 2 Helaes het schijnt dat g' als een marmer beelt

Gants niet gevoelt het Stoockebrantjes toorts, Nochtans de vlam die uyt u oogjes speelt, Weckt in mijn hert een grill'ge brant en koorts, Kan 't mooghlijck; zijn dat ghy niet en ghevoelt

De selfsten strael daer ghy my mede doelt. 3 Of veynst ghy maer om te toetsen soo trouw En stantvast ick volhard in tegenspoet, Het veynsen staeckt o Lofwaerde Juffrouw

En mynen geest weder herleven doet, Die machteloos als afgestorven sweeft, Om dat mijn liefd gaen wederliefd en heeft. Verandert in tijdts,

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdams minne-beekje. Deel 2 · Anoniem · Poetry Cove