Skip to content
1637

Amsterdams minne-beekje. Deel 2

Anoniem

Stemme: Vrouwtjen is u Man niet t'huys, &c. LEst quam een kleyn boefjen-vluch Recht na mijn gevlogen, Boogh en pylen op zijn rugh, Met gheblinde ooghen 't Vleyden my met soete reen, 't Snackte my van minne, Maer ick voelden in zijn scheen, 't Vals bedrogh van binnen. 2 Want ten had geen lange stont Daer met my staen dralen Of met een lachende mondt

Ginck hy veerdigh halen Wt zijn koocker eenen pijl, Spande stracx zijn peesje, Schoot flucx wacker inder ijl, Na my 't loose geesje 3 Het en had zijn booghje snoot Naulijcx afghetooghen, Of een vlamm'ge schicht (o doot,) Quam nae my gevloghen Die doorborend' vel en vlees Drongh tot in het herte, Daer hy stracx zijn kracht bewees, Want ick voelden smarte. 4 'k Voelden daedlijck int gemoet Vele vlammen stoocken, En mijn eertijts killigh bloet Dat begon te koocken, 'k Voeden stracx begeerte tot Min en minne saecken, Schoon ick eertijts hadt bespot Sich mints slaef te maken.

5 Waerom kleyne Venus wicht Hebt ghy d'heete stralen Van u heet gevlamde schicht In mijn borst doen dalen, Waerom hebt ghy mijn vryheyt My ontnomen Jonghen, En my (och het is my leyt,) Slaef te zijn ghedwonghen. 6 Dan 't moet zijn wilt van u Throon Venus, eens mijn lyden Aensien, en het met een loon Loonen van verblyden Sendt weer u kleyn Soontje radt, Segh dat hy ooc gevoelen Aen mijn Princes dit vyer, op dat Men brandt, men brand mach koelen. Den mensch die is veranderlijck.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.