Skip to content
1637

Amsterdams minne-beekje. Deel 1

Anoniem

Op de wyse: Nae dien u Goddelijckheydt, &c.j ACh overschoone vrouw Aensiet doch eens mijn trou, Die ick u staegh toedraghe, Ick kome in de nacht Met bidden en met klaghen Door groote liefdens kracht. 2 V trotse brave leen Die doen nu mijn gebeen Op off'ren aen u schoone, En dwingen dat ick moet V mijne dienste thoone, En vallen u te voet. 3 Want mijn verlieft ghemoet Ontsteeckt mijn heete bloedt, En doet de brandt vermeeren, En kruypt 't gebeente in, Ghy kond mijn ziel beheeren, En draeyen na u sin. 4 Ick stae hier voor u deur, Vol suchten en ghetreur Met druck en pijn belade, Gy toont een gunstigh oogh Bewijst my doch genade Beweeght door groot medoogh. 5 Laet nu mijn nat ghetraen V doch ter herten gaen, Op dat ick troost verwerve, Want mijn bedroefde hert Indien ick u moet derven, Vergaet door pijn en smert. 6 Ey hertje weest dan milt, Op dat eens wort ghestilt

Mijn suchten, klagen steene, Want mijn verdorde ziel Gantsch afgemat door weene, De rif niet langher hiel. Rede doet leve.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdams minne-beekje. Deel 1 · Anoniem · Poetry Cove