Skip to content
1637

Amsterdams minne-beekje. Deel 1

Anoniem

Stemme: Cephalus daeghlickx placht. Coridon. Soo langh ick was bemind, En in u hert geschreve, En u als waerste vrind Mocht lieve kusjes gheven,

Had ick voorwaer o schoon Lerind Het aldersoetste leven. Lerinde. 2 Soo langh ghy Coridon, Geen ander had ghesworen, Als my u zielens Bron, Door liefd van u verkoren, Wast staegh den loop van weeldes bron, Tot mywaerts snel beschoren. Coridon. 3 Maer nu heeft Galathe Door dwingend' root beluystert, Met spelen en singen me, Mijn sinnen soo gekluystert, Dat ick te gaen voor haer ben ree, Daer 't alles is verduystert. Lerinde. 4 En Tyters minne brandt Doet my die vreucht be-erven, Dat of schoon Atrop spant Haer boogh om te bederven, Ick graegh voor hem tot offerhant, Sou duysent dooden sterven. Coridon. 5 Maer of de schuym-Goddin Ons herten had gestrengelt,

En Galathe in min Heel vruchteloos had gehengelt, Souden weer voor een nieuw begin Ons zielen zijn vermengelt. Lerinde. 6 Hoe wel het silver hoogh Mijn Tyter kon verwinnen, En van u blyschap vloogh Door u te lichte sinne Sal ick uyt wien ick liefde soogh V tot de dood beminnen Coridon. 7 Wel aen dan schoone Maeght Om wien ick soo veel nachjes Mijn leven heb gewaeght, Waeckend' met minne-klachjes, Ick bidt my langer niet en plaeght, Of handelt my wat sachjes. Lerinde. 8 t' Sa Coridon wel aen, Wilt alle mijn schaepjes leyden Na voedend' Claverblaen, Of groen begraesde weyen, Soo langh mijn ooghen open staen, Sal ick van u niet scheyen. Hope voet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.