Skip to content
1637

Amsterdams minne-beekje. Deel 1

Anoniem

Stemme: Dat Phillis reyst en spoeyt, O Overschoone Son, Die mijn hert verwon, Ghy zijt mijns levens bron, En mijn ghenuchten, Want door u soet gestrael, En gaven al te mael, Ick gantsch mijn leven hael En pluckt de vruchten, En swemme in de vrolijckheden Door 't aenschouwen van u schoonheden. 3 V soet en bly gesicht Mijn hert vol vlamme sticht, Dat kan seer haest en licht Van my verjaghen, En dryven in de vlucht Het droef en naer gesucht, Hoe seer ick ben bevrucht Met sware plagen,

Geen ramp of druck en kan my treffen, Noch op mijn vrolijck geesje heffen. 3 t Aenlockent soet gestreel Van uwe stem en keel, So vloeyend en soo eel, Ick noyt en hoorde, En dartel loos geswier Op toon, Musijckx manier Hoe aardigh dat het schier Mijn ziel vermoorde, Ick bleef verlieft en opgetoogen Aenbadt u godheyt neerghebogen 4 Ghy zijt noyt uyt gedacht Maer toont in my u kracht En voed mijn ziel heel sacht En weeldrigh wey en, En u vriendelijck gelaet Verheught de heele straet Waer dat hy heene gaet V eer verbreyen, Sy vergapen haer aen u schoone leden,

Sy vergapen haer aen u schoone leden, De tongh en kan geen woorden smeden. 5 Och of den hemel, mijn Nae alle druck en pijn, Met sulcken sonne schijn, Het hert verlichte Dan soudt ghy schoone beeldt, Die boven schijnt gheteelt Van my worden gestreelt, En doen verplichten, Om eeuwigh als mijn ziel te beminnen, Soo langh daer adem was van binnen. Rede doet le[ven]

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdams minne-beekje. Deel 1 · Anoniem · Poetry Cove