Skip to content
1637

Amsterdams minne-beekje. Deel 1

Anoniem

Sy singht, Op de wyse: So langh ist muysjen vry DEr Goden dwingelandt En 's werelts stoockebrant Is met sen vlam en gloed Gesloopen in 't gesicht, Van Carinel, en doet, Elck beven voor sen schicht. 2 Want die haer onverhoets Aensiet, terstont vol gloets Tot haer ontsteken wert, En moet de kleyne guyt Laten sen jonge hert Tot offer en tribuyt. 3 Recht tegendeel des grijns Met slangen vol fenijns Omswaddert en beknoopt, Want wie daer voor verscheen, Wierd van verstand gesloopt, En verandert in steen. 4 Daer hier het ruwste kan Knedigh en leenigh werd,

Wanneer haer oogjens brandt Het onversiens ontmoet: En leert aen boersch verstant, Al meed' een hoofsche groet. Verandert in tijts. Syl. Te vergeefs Carinel en stemde niet tot singen, Phy. Waerom doch Silvia? Syl. Om datse door den sangh Te pas brenght; hoe met dwangh: Door 't gluren van haer oog, sy boevd de jongelingen. Ler. 't Schijnt Silvia ghy sijt Carinels gloor afgunstigh, Syl. Ick en doe seecker niet. Ler. Waerom soo schimpt ghy dan? Car. Nu Rosemond vangh an. En laet ons hooren wat ghy sult voortbrengen kunstigh.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.