Skip to content
1647

Amsteldamse vrolikheyt

Anoniem

Toon: Kupido heeft sijn minne-schicht. D Ie uyt een angstelijke noot, Van hoogh geresen, waeter baren: En nae dat beyde Schip, en Boot, Aen morselen gestooten waren.

2 Noch op een Plank, of Rae, of Mast, Lant aen het Strant en houd het leven; Geen meerder vreugt, of blijtschap past, Dan ik van liefd' werd' toe gedreven.

3 Vermidts ik weder-liefd' geniet, Van die ik had door liefd' verkoren: Vergode menschen neder siet, En siet mijn Zege-vyeren gloren.

4 Niet om de winst van stadt of lant, Of om 't verkrijg' van goude mijnen, Maer om een Nimph, die als Atlant Veel Minnaers Ommer min siet quijnen.

5 Ha leven geester aen mijn Ziel, (Ik sie u met ontslagen armen Om my te heffen als ik kniel.) Gy wilt u over my ontfarmen,

6 Wanneer ik bid, ja eer ik smeek, Hoe sal ik dees weldaet vergelden? Ik stort een plas (gelijk een beek) Van tranen, om mijn vreugd te melden.

7 En Offer u, mijn, heel en al: Gebied my naer u welbehagen. Daer is geen swaerte, of ik sal Om uwent wille swaerder dragen.

M. F. Besteben.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsteldamse vrolikheyt · Anoniem · Poetry Cove