Skip to content
1647

Amsteldamse vrolikheyt

Anoniem

Op de stemme:Als Aretusa quam van de jagt. B Edroefde Arfleure toont uw' rouw', Hier in dit nare Wout, Om dat de hoog geswooren Trouw' Vw' Lief niet houdt; Een Hartoginne Besit sijn hart, Sy schenkt hem 't soetst' van 't lieve minnen, Het welk mijn smart.

2 Den blonden dag men al komen siet, Tusschen het groen en blaeuw', En op de Zee sijn stralen schiet, Die sich noch naeuw' Door het onweder Heel is bedaert: In 't Westen, duykt de nacht nu weder

Onder de Aerd'.

3 ô Min! wat brout gy my groot verdriet, Met rampen veel te swaer: Schoone Diaen! dees' Maegt aensiet, Die laes! nu haer Van dese klippen Sal werpen af, ô Doot! gy sult mijn niet ontslippen In 't water graf.

4 Maer als de barrening dan op-smijt, Mijn doot lichaem aen strant; En dat de oorsaek werd' verspr'ijt Door 't gantsche Lant, Waerom Arfleure Haer selfs ging doo'n, Hoe wil de Prins Brusangus treure Om desen hoon.

5 En als mijn schim met een swaer gesteen, En ysselijke spraek, Om u ô Prins sal sweven heen,

En roepen wraek Over uw' snoode Ontrouwe Eedt: Hoe wil de knaging u dan dooden Met herten-leet.

6 Nu sal ik mijn lichaem onversaegt Werpen in deese vloet: Neemt dan gy Zee, dees' Oorlogs Maegt, In uw' behoet, Want ik mijn selven Laes! sal terstont Dit lichaem in uw' vloet bedelven, En diepen gront.

J. J.Elk sijn sin

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsteldamse vrolikheyt · Anoniem · Poetry Cove