Toon: Nu sich ondankbaer toont, &c. B Loosend' Aurora, Roos-verwig van wangen, Spanden haer Wagen op Majaes mid-nacht; Want se was met grooten yver bevangen, Om met Diana te rijden ter Iagt: Maer doense Iaegden, Door Bosch, en Dal, Vonden sy Maegden, Een groot getal, Die besig waren, Met Bloempjes te garen, En toyden heur hayren, Met bly geschal.
2 Sy songen daer een soo vrolijken Liedtje, Dat sich het Bosje beweegde daer van; De Herders die speelden daer elk op een Rietje, Met den Geyt-voetigen hippelaer, Pan: Dat dore Boomen, Door 't Lente-vyer, Ia koele Stroomen, Ontvonkte schier: De woelende Beeken, Die scheenen t' ontsteeken; Mits hoorden ik spreken, Een geestig Dier.
3 Lof lieflijke Lente, gy die ons met Bloemen, Heuvels, en Dalen, soo cierlik bepronkt, Met duysent kleurtjes, waer door dat u roemen d' Herdertjes, die gy het hertje ontfonkt Wanneer se danssen, Vast handt, aen handt, Gekroont met kranssen, In 't open Landt: Gy doet de Herd'rinnen, De Herdertjes Minnen, Dat yeder van binnen, Vol liefde brandt.
4 Siet hoe de Bloemen, en Kruyden der Hoven, Die de Godinne Flora ons telt, Schijnen de lieflijke Lente te looven: Hoort hoe dat Phillis haer lof vermelt?
Men hoortse schrillen, Op toonen hoog, Men sietse drillen, Als ofse vloog: De pluymige Dieren, De Lente ook vieren, Met soet tierelieren, Voor yeders oog.
5 Spart'lende Visjes, in woelende Beeken, Siet men nu bakeren op de vloet: Ia alles wat leeft dat voelt sich ontsteeken, Door Lentsche kragjes in 't edelste bloet: Komt aertsche Eng'len, Aentrekkend' goet, En helpt ons streng'len, Een Roosen-hoet, Om op de vlechten, Van Flora te hechten, Met d' Herdertjes knechten, Aen Amstels vloet.
J. Volhart. Volhart in liefde.
Cookies on Poetry Cove