Skip to content
1647

Amsteldamse vrolikheyt

Anoniem

Stemme: Het vinnig stralen van de son. E ylaes! wat ongewoone lust Mijn Nimph heeft ingenomen, Dat sy van Amstels blijde Rust, Spoet na des Ifels Stroomen.

2 Heeft 't al-vervullende gewelt, Der ongetoomde golven, V ted're sinnen niet onstelt? Noch 't hertj' in vrees bedolven?

3 Wanneer het Cristalijne nat, Met vreesselijke slagen, Dan voor, dan achter 't kiel bespat, Wie sult gy konnen klagen.

4 Wanneer van 't Roos' beschamend' root, V net besnede wangen, Door Thetis kracht worden ontbloot, En met doot-verf behangen.

5 De brakke-traentjes vlieten van De hert ontstekend' oogen; Geen van dees' tegenspoeden dan, Tot blijven u bewoogen.

6 Sergistis, Kroost, uyt 't vier getal, Sent-Auster, sonder woeden, Die met een aengenaem geschal, De wemelende vloeden

7 Doet scheuren door de snelle vaert, Der dicht-bepekte lagen; Op dat mijn Engel blijft bewaert Voor Noodlots droeve vlagen.

Daelt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsteldamse vrolikheyt · Anoniem · Poetry Cove