Skip to content
1647

Amsteldamse vrolikheyt

Anoniem

Stemme: Soo lang is ‘t muysje vry. WAnneer het Dachje dealt, Mijn Vee seer treurig dwaelt: Dan strekt mijn droeve geest tot mijne Herderin, Die haer af-keerigh hout van mijn stantvaste Min.

2 Al kom ik voor haer deur, En sucht, en klaegh, en treur, En bid, en smeek, en ween: noyt kan haer harde hert Tot my genegen zijn, hoe s’ ook gebeden wert.

3 Al klaeg ik klacht op klacht, By Avont, of by Nacht, By Morgen, of Daeg, en klare Sonne-schijn; En wil sy even-wel niet mijn beminde zijn.

4 Ach! mijne droeve geest, Die noyt en zijt geweest Van u Meest’res verlicht, waer sal ik met u heen Die voor u menighmael gesmeekt heb, en gebe’en.

5 Sal ik dan al mijn tijdt, Die ik om u verslijt, Bestadigh zijn gequelt: soo wensch ik dat de doot My haest verrassen komt uyt dese groote noot.

Ronde.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsteldamse vrolikheyt · Anoniem · Poetry Cove