Stemme: Almande Constantijn.
LOf Thetus,
Lof ô Zee-Godinne,
(Nereus Dochter) och siet aen
Ons ne’er-slachtig minne,
voor u Soons gebeent ontdaen,
Door desen Helt,
dien tweeden Mars,
Die in ‘t yser wel soo bars
Verstrekten wis een waere beeld
dat gy hem had geteelt:
Wy sullen branden
V Offerhande
Hier nu voor de Goo’n,
Ter eeren Achillus, Peleus Soon.
2 Die Pithus, uyt sijn Pirha teelden,
Dien Iongeling, die kloek
Aen de Phrijgen deelden
Hunnen val, en ramp en vloek.
Die het moorden van Paris hant
(Neffens Menelâus schant)
Soo uyt-genoomen wreken kon,
Dat hy de kroon verwon
Van al de Grieken.
Diens trage wieken,
Van lant niet wilden af,
Voor hy Polaxina hielp in ‘t graf
3 ô Halve God (befaemt doorluchtig)
Wy soeken uwe gebeent,
Te Delphy, roem-ruchtig,
Daer gy uwe gunst verleent:
Toont ons nu hier, en overal,
(‘t Zy in alle noor geval)
V over-groote trouwigheiyt,
Soo zijn wy wel bevrijt.
Hout ons lant veylig,
Nu hier soo heylig
V Moeder wert gelooft,
Wy Kroonen steets met gout Thetus hooft.
J. N.