Skip to content
1647

Amsteldamse vrolikheyt

Anoniem

Stem: Wanneer de son het morgen root. HOe vochtich dat het siltich nat Aymint dreef van sijn kaken: Heeft hy van tranens-vocht bespat Sijn vlucht niet willen staken, Maer volgden snel, gelijk een Hind, Rosinde, die sijn klacht als wind, Noch sijn geween niet achten, Door dien Colander in haer sin Soo diep gewortelt was, dees min Aymint sijn ziel verkrachten.

2 Sy door haer voetjes vlugge schre'en Sijn lichten heeft verduystert; Dat hy niet sach, waer sy verdween,

Des bleef hy vast gekluystert; En sprack met een beknelt gemoet, Is dit de vreught, is dit het soet, Van mijn getrouwe daden, Hoe plaeght gy mijn, ô straffe Goon, Wilt mijn veel liever duysent doo'n Voor dese pijn op-laden.

3 Dus hopeloos hy door 't geboomt Sijn suchten klachtich uyten, Tot daer 't Cristallich beekje stroomt, En Silleverich uyt komt spuyten, Rust op de kant van dese beek, En sprak, ik sal mijn traentjes week, Met dees vocht soo langh mengen, Dat noch in 't end door mijn getraen, Dees Beek, haer vliet, op 't veld sal staen, Rosind' mijn traentjes plengen. Jan Meerhuysen.

Oordeelt na 't voorbeelt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsteldamse vrolikheyt · Anoniem · Poetry Cove