Skip to content
1647

Amsteldamse vrolikheyt

Anoniem

Stem: Ie ne puis esviter. H Et flikkerende licht, Dat uyt u soet gesicht Straelt, heeft mijn hert gebracht, in groote smert, Want van te vooren, eer gy Herderin Door vyer’ gelonken, My deed’ ontfonken, ‘k Wist van geen Min.

2 Nu wensch ik vroeg, en spa’,

Niet als mijn Philida Steets by te zijn, tot lichting van mijn pijn, Wanneer ‘k moet derven, en missen maer Mijn uytgelesen, Soo-schijnt te wesen, Elk uur een jaer.

3 ‘s Nachts als een yder rust, Heb ik geen slapens lust, Maer denk altijt, hoe sy mijn heeft verblijd, Wanneer sy weygerachtig maer toelaet, Een kus te smaken, Van hare kaken, Roosich cieraet.

4 Mijn Schaepjes zijn verheugd, En toonen groote vreugd, Soo haest sy by u Lammeren gaen ter wey, En samen ‘t gras af-plukken op een stee, Het schijnt sy garen Gepaert ook waren, Met uwe Vee.

5 Wanneer sy gaen alleen, Met Coridon betreen, De groen gehayrd’, en Klaver-rijke Aerd’,

‘t Hooft nederwaerts een yder hangen laet, Waer meed’ sy toonen, Haer ‘t eensaem woonen Niet aen en staet.

6 Geen varsch gestreepte gras, Noch soete water-plas, Vermindert haer een-stemmich treuren, maer Soo haest sy komen daer u Beesjens zijn, Voort laten varen, Al haer beswaren, En voor’ge pijn.

7 Geen dingh my yets verheught, Soo langh ik mis mijn vreught, En soet vermaek, in spijs, noch drank heb smaek Dies bid Diana doch mijn hulp wil zijn, Dat bewoogen Wort, met medoogen Tot troost mijns pijn. FINIS.

Daalt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsteldamse vrolikheyt · Anoniem · Poetry Cove