Skip to content
1647

Amsteldamse vrolikheyt

Anoniem

Toon: Gy heyligheden, &c. HOe lang sal ik de lucht met klagt op klagt vervullen: En schreyen Hemel hoog over d' afkeerigheyt, Die my u stuersheyt weyt? Seg Damon, seg wanneer mijn suchten enden sullen?

2 De kruyden en 't geblomt,de loover-rijke bommen, Gaen swanger van den dauw die 'k uyt dees oogen giet,

't Welk in een Zilte vliet Vervoremen 't Cristal van Acis Water-stroomen.

3 De Rotsen slaen te saem, en buygen hare toppen Als tuygend, dat mijn klaght haer tot me-warigheyt Beweegen, schreyt, ey schreyt; Vermidt dit hart alleen blijft ysigh voor dees droppen.

4 Heeft niet, ô Ægri, Soon door vinger-dans bewoogen Het Stigiamse Hooft? doen hem de lieve ziel, Sijns Euredies ontviel? Waerom blijft gy alleen verbastert van medoogen?

5 Heeft eer niet Romas Ieught de redeloose Dieren Bewoogen door haer klaght, en deerelijck gesught, Die echter dese vrught? Op-koesterde niet 't sap haers toomeloose spieren.

6 Doch 't schijnt dat gy alleen de ongevoeligheden Bemachtigt hebt, to spijt der Goden altemael, En juyst een hart van stael 't Welk, doof is voor den galm mijns over-droeve reden.

7 Waerom hebt gy ô Goon mijn niet die macht gegeven Dan ongevoelikheyt, die dese ziel besit?

Of is, mijn wreede dit Tot eenen kranker-wrom gegeven in dit leven.

8 Soo stort een kort vervolgh van nachten op malkand'ren, Besluyert Phœbus hooft met helse duysternis; Dat ik 't gesichte mis, Van hem die vrinschaps-bant doet scheyen van den and'ren.

9 Gunt my ô groote Goon, ik dees genegentheden Mach dooven tot een spijt mijns selve kreetse Godt, Op dat my 't wreede lot Niet varder, tot mijn hoon, met voeten komt te treden.

Fuyter de Lion.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsteldamse vrolikheyt · Anoniem · Poetry Cove