Stemme: Granida. DErtele Venus Iongen, Beginsel van veel klagen, Zijn de Goon uw schichten noch niet moe? Is noch geen ontsprongen V pijnelijcke slagen, Noch geheel ontworstelt tot nu toe? Soo mooght gy wel verklaren dan te zijn De Oppersten, in 't hoogh', en rijcke Hemels pleyn.
2 Want de minste Goden, Gy niet alleen doorschooten Hebt seer fel, met u gekromde Booghg; Noch op d'Aerd, gy snoode, Alleen de kleyn, en groote, Hinder deed', maer vlieget heel om hoogh, Selfs by Iupijn, die gy soo blaeken doet, Dat hy u dolle wil moet volgen met ootmoet.
3 Heeft hy niet bedroogen, Alemenam door u straelen, Want in schijn des Mans, hy by haer quam, En de tedre oogen Æurope, heel doen faelen, Want in 't schijn eens Koe, haer op hem nam, En mede swom door 't Silt Cristalligh nat, Daer hy het genot van sijn boose lusten had.
4 Door een gulde Regen, Is hy meed komen daelen, Met u sin, in * (Koninks Dochters) schootDanaé. Waer hy heeft verkregen
Haer Kuysheyt sonder faelen, Tot groot quaet des (* Koninks,) want sijn dootAcrisius. Sproot hier uyt, na voorgaende Prophecy, Soo dat hy haer in een tooren hielt onvry.
5 Tot verscheyde stonden, Heeft, hy veel eerb're Maegden Vuyl ont-eert, hoe-wel hy Iuno had, Door u, als die konden Haer maken voort behaechden, En begeert, hoe-wel hy 't al besad, V ook Neptuyn, selfs Pluto, smeken moet: Dies is 't niet vremt dat gy in min ons branden doet.
Daelt.
Cookies on Poetry Cove