Skip to content
1647

Amsteldamse vrolikheyt

Anoniem

Wy sullen branden V Offerhande Hier nu voor de Goo’n, Ter eeren Achillus, Peleus Soon.

2 Die Pithus, uyt sijn Pirha teelden, Dien Iongeling, die kloek Aen de Phrijgen deelden Hunnen val, en ramp en vloek. Die het moorden van Paris hant

(Neffens Menelâus schant) Soo uyt-genoomen wreken kon, Dat hy de kroon verwon Van al de Grieken. Diens trage wieken, Van lant niet wilden af, Voor hy Polaxina hielp in ‘t graf

3 ô Halve God (befaemt doorluchtig) Wy soeken uwe gebeent, Te Delphy, roem-ruchtig, Daer gy uwe gunst verleent: Toont ons nu hier, en overal, (‘t Zy in alle noor geval) V over-groote trouwigheiyt, Soo zijn wy wel bevrijt. Hout ons lant veylig, Nu hier soo heylig V Moeder wert gelooft, Wy Kroonen steets met gout Thetus hooft. J. N.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsteldamse vrolikheyt · Anoniem · Poetry Cove