Skip to content
1647

Amsteldamse vrolikheyt

Anoniem

Stemme: Ach Lerinde! V Eltgodinnen, Stelt u tot klagen, nu de Bachantse schaer, Die van binnen, Vermommen van den Wijn, de soeten Harpenaer, Die elk tot vreughd door sijn gespeel bewoog;

Ja Bos, en Boomen, En Water stroomen, Wierden genomen In, door sijn vertoog, vertoog, vertoog, Dat Go’on trok van om hoog.

2 Doot geslagen: Hebben uyt bitt’ren haet, om dat hem haer doen Niet kost behagen, Noch haer te dertel, en al t’uytsinnig woe’n: Nu is hy doot, en met hem alle vreught, Die placht te wesen, By u voor desen, O uytgelesen Godinnen! steets verheugt, verheugt, verheugt: Maer nu vol ongeneugt.

3 Soete Snaren, Kost gy haer bitteren haet niet doven uyt, En bedaren Haer, door u soete en heldere geluyt; Waer door dat gy de Helsche Geesten dee

Haer smert verdwijnen, Ia alle pijnen, En ‘t stadig quijnen Dat elk Geest daer lee, daer lee, daer lee, Geneesden gy daer mee.

4 O Bachante! Die door sijn spelen niet te bewegen waert; Maer u kanten Tegen een yeders vreugt, en u soo ontaert Toonde van re’en der Goden, God Iupijn, En al de Goden Sullen dat dooden: Fy! u gy snooden, En wreede vol fenijn, fenijn, fenijn, Altoos gedachtig zijn.

V. Staveren

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsteldamse vrolikheyt · Anoniem · Poetry Cove