Skip to content
1643

Amsteldamsche minne-zuchjens

Anoniem

Op de Stemme: En fin lamour est mon vainceur.

ACh! wat hout mijn de liefd in vant, en mijn haren slaef maeckt, want mijn verstand, sy tot het hooghste raeckt,

en mijn van sinnen heel ontvloot, jae brenght in groote noot, want in mijn suchten, en ongeneuchten, quetse mijn ter doot. 2En noch hoe meerder dat ick sucht, Hoe men troost ick geniet, Want mijn Nimph vlucht, Als sy my maer bespiet, En altijt vluchten heeft int sin, Als ick ontrent haer bin, Ick kan haer ooren, Toch niet bekooren, Noch tocklen tot min,

3Wat zijn mijn Harderin de reen, Dat ghy soo voor mijn vlucht, U Hert als steen, Brenght my in ongheneught, Want hy ghedeurighlijck soo blijft, En in hertheyd verstijft Ey uyt medogen, wilt sijn bewogen, En weer min om lijft. 4Hoe kan toch in u de wreetheyd, Soo inghewortelt zijn, Of is 't door nijt, Dat ghy begeert mijn pijn, Om dat ick laest dat kusje stal, Dat mijn soo wel geval, Ach dat mijn 't raecken, Van uwe kaken, Soo op breeckt als gal. 5Adieu dan Nimph ick van u schey, Alsoo 't nu niet geschiet, Waer op ick my:

Soo t' eenemael verliet, Dat mijn smert sou werden gekroont, En van u zijn geloont, Maer 'k sie u reeden, Sijn overleden, Soo hy mijn betoont. Noch hoop.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.