Toon: ô Kersnacht.
ALs Phaebus, jongstmaal, 't Aartrijks daken
Begon, op 't heetste, te genaken,
Coos lust het digt beboomde wout:
Dat, by Kristalle water-aren,
Eer 't morgenligt haer light quam baren,
Filanders dru'k, vaak, heeft beschout.
't Gesigt.
Geluck, en heyl my toen geleyde,
Het Vee quam by een Klaverweyde,
In 't welck mijn vreugde was gestigt.
Klarinda sagh ik leggen slapen,
Lust sogt, terstont, vermaak te rapen,
Met hulp van mijn verlieft Gesigt.
Reuk.
Noch na berouwen, noch haer schanden
Ontsagh ik: maar ley mijne handen
Plat op haar borst: waar op, terstont,
Quam, langs Haar lippen, eenen aassem,
Rook als een Goddelijcke waassem,
Soo dat de lust mijn pligt ontbont.
't Gevoel.
Ten lesten voeld' ik mijn gevoelen,
Van vreugd, naa meerderlusten doelen:
Want zy, aldus, in 't dromen, sprack.
Xant swijgt: Want noyt sult gy, door smeken.
Yets van mijn trouws beloften breken;
Z ton rust onder 's Herten dak.
Smaak.
Voorts drukte ik van vrugt, mijn lippen
Aen hare lippen, welckers tippen
Noyt slegter Smaak als Nectar laan;
Dies ik de soete slaap verstoorde,
En zy met op geheve woorden.
Riet my, terstont, van daar te gaan.
Gehoor.
Geen veinzen (zeyd' ik) nog geen treken;
Rust nu uw liefde is gebleken:
Aan 't Horen kan men 't gantsche Hert.
Ctonis (uytte gy in't dromen)
Heeft Hert, en zin Haer rust benomen,
Toont hem dan 't geen ons beyde smert.
Lydt en mijdt.