STemme: Als 't begint. TOen Bacchus lag en sliep, en sliep, In Ariadnes armen, Evoe, Evoe, Al 't leger zong en riep. 2De zee en 't Eyland klonk, en klonk, Van Bommen en Cymbalen, Evoe, Evoe, Wat voeten had dat sprongh. 3De Saters dansten vor, en voor, Op 't schrewen der Menaden, Evoe, Evoe, Neptuin lagh op zijn oor. 4De spiessen groen van blaen, van vlaen, Vast drilden heen en weder, Evoe, Evoe, Geen borvoet recht kon staen. 5Wie hand sloeg aan den Thirs, den Thirs, Moest magtig zijn te vegen, Evoe, Evoe, Den beker met een snirs.
6Sileen het volle vat, le vat Verzopen op zijn Ezel, Evoe, Evoe, En wist niet waar hy zat. 7Zijn Ezel hiel den trant, den trant, Gods schild-knaap zat en ronkte, Evoe, Evoe, Het dier had meer verstand. 8Sileen reed averechts verrechts, En als hy was aan 't vallen, Evoe, Evoe, Zoo stutten hem zijn knechts. 9De Nymphen moeder-naakt, der naakt Met ongesnoerde vlechten, Evoe, Evoe, Van Bromius geraakt, 10Die hadden met haar kleed, haar kleed, De schaamt oock uytgetogen, Evoe, Evoe, Wat Sater was dat leet? 11Soo sloten zy dien nacht, dien nacht, En als de dag quam rijzen, Evoe, Evoe, Lach liber warm en zacht. 12Zijn Bruyd sloeg d' oogen op, gen op,
Daar quam de zon uyt stralen, Evoe, Evoe, Wie zagh oyt schoner pop? 13De Bruygom loeg haer toe, haar toe, En kuste mond en wanghen, Evoe, Evoe, De Bruyd nam 't al in 't goe. 14Nu dochtse om Theseus niet, seus niet. Dien touwelozen vryer, Evoe, Evoe, Die haar op strand verliet. 15z' Om helsde een beter lot, ter lot In haren schoot gevallen, Evoe, Evoe, Den vriendelijksten God. 16De wijngaart wies om 't bed, om 't bed, En hing van trossen zwanger, Evoe, Evoe, Het mager strand werd vet. 17De myrt besloeg den grond, den grond, Een luchje blies violen, Evoe, Evoe, En rozen uyt har mont. 18Maer endlijck afgeslooft, geslooft, Van kussen en omhelzen, Evoe, Evoe, Nam hy haar kroon van 't hooft;
19Hy wierpze naar zijn troon, zijn troon, De stenen wierden starren, Evoe, Evoe, Hoe heerlick blinkt haar kroon. 20Daer staatze noch te pronk, te pronk, Tot een gedachtenisse, Evoe, Evoe, Van d' eer die hy haer schonk. I. V. Vondel.
Cookies on Poetry Cove