Stemme: Het Nachtegaaltje kleyne &c.
AL 't levenloos en 't leven // wat rept en niet en rept,
Wert, door des Scheppers hand,
Een nieuwe kragt gegeven, nieuw leven in geschept,
Nieuw voetsel ingeplant.
Niets blijft in eenen standt.
't Versterven, en verrijsen
Heerst al wat wesen heeft;
Op datmen God souw prijsen,
Die steeds nieuw gaven geeft.
2Den Hemel, als ontsloten, stort dauw en, voetsel uyt,
Tot vreugd en vrughtbearheyt:
Dies telgen, tack, en loten, en bloemen, gras en kruyt
De Werelt overspreyt,
Alt saam tot nut bereyt
Van 's Menschen smaack en sinnen,
In vollen overvloet;
Op datmen souw beminnen
Die dese dingen doet.
3De stromende Revieren, omcinghelt van 't geboomt,
Belommert vande blaan,
Daer in de Pluym-gedieren // met sangh te samen koomt,
Om ons te wijsen aan
Verheugt tot Godt te gaan,
Die spreken sonder spreken,
Sy dwingen sonder dwangh,
En tonen danckbaer teken,
Door haar verheven sangh.
4Treet inde blyde paden // kreuckt 't Jeughdich klaver gras,
Pluckt af 't bedauwt gebloemt,
Wilt uwe lust versaden met 'tvruchtbaar Velt-gewas,
En uwen Gever roemt,
En hem u Vader noemt,
Die d' Vaderlijcke Minne
Aan u, als Kint bewijst;
Dies hem, met hert en sinne,
Eerbiedich looft en prijst.
C. D. Wittenoom.