Stemme: Soolang is 't Muysjen vry.
O Hemels morgen vogt!
Aen Diemer-beemt verknogt,
Door Amstels vloet bezwalpt, ontfankt ontfankt! een bad',
Uyt mijn bezwaart gezigt, van laauw, en nuchter nat
2Nu dat Klarinda vlugt:
Schoon dat ik zugt op zugt,
Uyt dese boesem slaack om hare wederliefd'
Te kneden, dat zy heelt 't geen van haar is doorgriefd,
3Gedoogt dees pekel plas
Op u, en op dit Gras,
't Geen, door my, wert gekreukt, om dat zig hier verbergt
De vlam, die dese borst met duysent pijnen, tergt.
4ô Alte felle vonk!
Ontvonkt door het gelonk,
En schitterende vier van mijn Klarindaas ligt,
Dat voor d' alsengbre gloet van Jupijn naulicx, swigt.
5Ik gloey, en hou de gloet
Voor 't zoet van 't zoetste zoet:
't Is voor my 't geen my sengt, en poog tot haar te gaan
En gae ik ik verbrand, en niet 'k smelt in getraan.
6Klarinda! Ach! dees gaard
Van vruchtbre bomen, baard,
Mijn liefde ramp, op ramp; door dien sy my uw glans
Onthout, die, wen sy wil, met ziert met vlijtschaps krans
7Ach lief! verthoont u ligt,
En droogt mijn nat gesicht;
Of schept gy uw vermaak in mijn gehoopte druk?
Wel aen, ik kus uw wil, op hoop van groot geluk.
P. Vander Gracht.