Skip to content
1643

Amsteldamsche minne-zuchjens

Anoniem

Toon: Als Garint. ONs gedagt, zeer dickwijls, in ons dringt; Hoe wel der Maagden schaamt, en eerbaarheyt ons spreeklit dwingt, Dat het Hert vermaakt, En braakt Veel lust: Want, in dit Bloem gevlegt, Zie 'k op wat vreugd' de Egt Staag rust, En hoe 'tal in die staat Bestaat.

2Want, wanneer zy 't zamen zijn gehegt, Zoo blijven hare Blaan, en groene steel, een-wijl, geregt; Daar anders de Roos Van bloos, En root: Eerlang: jaa op een dag, Door 't minste wintje, lag Ontbloot, En wert haar dor gelaat Gehaat. 3Dies de Egt omringt is van veel heyl, En die haar heylge paan begaan zijn, voor veel rampen, veyl Maar ach! Herderin Uw zin Verdwaalt, Door een zaemheyt gedagt. Gy Maagden schaamt veragt, En smaalt Op 't geen uw eerbaarheyt Verbreyt.

MYn Tong bedwinght uw galm: 'k sie, door de telgen, dringen. Wie is't? ach 'tis mijn Lief! hy laght gewis, mijn singen Heeft dus zijn gang genoopt ik schuyl my achter 't groen. Best niet, in dien ik schuyl, soo sal ik, in my voen, Een quellend naberouw, wat dan? zijn komst verwagten? Iaa! neen! ô schaemt! hoe kampt uw wil met mins gedachten. P. Vander Gracht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsteldamsche minne-zuchjens · Anoniem · Poetry Cove