Op de wijse alst begint. Ghemaeckt van een Ionghe Dochter. GHy nijders quaet van doene, Van 'sVyants aert meucht gy wel zijn, Ghelijck de Schorpioene Met haer steert steken fenijn, Al hebt ghy nu de wille van mijn, Het mach noch dueren een kort termijn, Alle dinck en sal niet eeuwigh zijn. Ick had u uytverkoren soete Lief, Die tijdt is nu gepasseert, Ick mach sien noch hooren u brief, 't Is al gevioleert, 't Is al verlooren, 'tis al verteert, Die in dit Boeck van minnen studeert Hy vint hem selven geabsolveert. Ick heb om uwent wille goet lief, Die hant geslagen aenden ploegh, Doen ick u lestmael loofde met gerief Dat geschiede des morgens vroegh, 'tIs hier, 'tis daer, met vint een behoef, Schoon lieveken hebt ghy Ziels genoegh Ick vinde my selven geen troost behoef. Mijn Vrienden en magen goet lief Die zijn mijn tegenspoet, Een ander weder te kiesen tot gerief, Die minne was niet soo soet, 't Is al om 't vermaldedijde goet, Die altijdt raet van Vrienden doet, Sijn hert sal kiesen die hy laten moet. Dat ghy de Kanne stille doen staen, Dat al dat goet aenkleeft, Al hebt ghy nu uwen wille gedaen, 'tIs dat ghy om my niet en geeft, 'tIs beter dat ghy met een ander sneeft Dan ghy met my in onvreden leeft,
'tIs quaet te drincken die geen dorst en heeft. Nu rade ick alle Vryers fijn Die hier te dansen gaen perfect, Ten besten laet u raden liefste mijn Dat ghy met u trou niet en geckt, Ghy spreeckt soo haest een woort soo net, Worter yet belooft het wort belet Het is een huysvrou al voor Gods Wet.
Cookies on Poetry Cove