De vlieger.
Als 't windje frisch en luchtig blaast,
En door het digt geboomte raast,
Dan is 'er voor de jonge knapen
In 't veld veel vrolijkheid te rapen;
Dan gaat het vlieg'ren goed en wel.
Dan rijst de ligte Vlieger snel.
Maar wordt het windje zwak en flaauw,
Zo daalt de Vlieger al te gaauw;
Rept dan, o jongens! uwe handen,
Vliegt vaardig over sloot en landen:
Als gij den val niet haastig stuit,
Zo gaat uw' vlieger zeker buit.