VIII.
En luid gejuich en handgeklap, En duizend bravoos stijgen, En roemen 't zoo volheerlijk spel -
Doch bruid en bruigom zwijgen. Want, wie die tooveres niet kent, Zij beiden kennen haar te wel; Schoon geen heur naam durft noemen, Noch zelfs heur gaven roemen. Maar Clara Duclis, 't argloos kind, Slechts door heur hart gedrongen, Komt jublend toegesprongen, En neemt de hand der danseres En voert haar in den kring. Er straalde geestdrift uit heur oogen, Toen zij daar lagchend henenging, En vroeg: ‘heb ik gelogen Toen 'k zeide dat heur ziel, Niet laag gezonken, niet gemeen, Maar rijk begaafd moest wezen? Heur voorhoofd deed mij lezen, Wat u zoo onbegrijplijk scheen: Dat uit die schitrend schoone leest Hier de adel spreekt van hart en geest.’ Edith was bleek en koud als marmer,
Zij voelde zich vernederd, armer Dan 't uitgeworpen slavekind Dat aller oogen had verblind En aller zin en hart betooverd, Ja - 't zijne had veroverd... Verschrikt stond Edmund aan heur zij, Van woede knersetandend; hij, Hij dorst niet opzien, dorst niets vragen, Kon Leila's vuur-blik niet verdragen, En sloeg den blik gramstorig neêr Want zij, zij zegepraalde. ................... Het feest had nu geen leven meer, De gulle vrolijkheid ontvluchtte En de ongedwongen kout werd stom, Alsof m' een naadrend onheil duchtte: Men blikte schuw en vragend om Als vreesde men een geest te ontwaren. Slechts één hief tartend 't hoofd omhoog, Terwijl heur blik de zaal doorvloog En flikkrend dwaalde langs de scharen,
Dan plotseling, als uitgegloeid, Aan 't huivrend bruidspaar bleef geboeid Zoo vreeslijk wild, zoo doodlijk strak - Dat zich, schoon elk dien zocht te smoren, Een doffe kreet van angst liet hooren, Die enkel 't aaklig zwijgen brak. ................... In het midden van de zaal, Bleek, maar schittrend, vast besloten, Staat de schoone danseres, Fier, gelijk een wraakgodes, Voor het oog der feestgenooten. Hoort! haar stem klinkt diep en luid: ‘Duld, o bruigom! dat mijn handen Door de lokken uwer bruid Strenglen deze bloemguirlanden. Clara Duclis! duld gij 't ook Dat ik in uw blonde vlecht Dezen krans van rozen hecht.’ En zij beefde toen zij 't zeide; Maar bevallig neemt zij beide
Bloemenkroontjes in heur hand, Hecht het een, van schittrend wit, In het haar der blonde Edith, Drukt het ander, zacht en teeder, Met een kus, op Claraas hoofd - Aller vreugd herleeft nu weder, Aller bange vrees verdween.... Clara lacht en huppelt heen. ................... ................... Maar op eens! wat schelle kreten Doen die korte vreugd vergeten! Welk een angstgeschrei? - Dring, dring Door dien digt gesloten kring - Zie! zie Clara neergezegen, Bleek als marmer... 't lief gelaat Straalt u niet glimlagchend tegen, De oogen staren hol en dof, De opgetrokken leden trillen, 't Witte schuim bedekt den mond....
Wie blikt hier niet jamm'rend rond! Wie die zooveel wee mogt stillen!! Ach! Geen hulp, geen spoed die baat! Of men haar op 't rustbed beure, 't Knellend keurslijf openscheure, Of de kunst al peinst op raad, Wat zou kunst of goud vermogen, - Noem haar magt, haar invloed groot! - Bij die doffe, brekende oogen... Bij het wenken van den dood?... ................... ................... En die arme grijsaard.... wie Durft hem aanzien?... wie hem naadren, Die daar op gebogen knie, Claraas handen in de zijnen, Zelf een lijk schijnt... ach! en toch Hoopt en bidt die vader nog.... Moet zijn hoop zoo ras verdwijnen, Bij den gil, wanhopig wild, Die een elk door 't harte trilt!
‘Ha vergiftigd!! Clara! dood! Dood?! en door mijn hand vergeven! Toen zij mij heur ziel ontsloot... Hier! hier ben ik, neem mijn leven!! - Leila was 't, die, marmerbleek, 't Haar van 't klamme voorhoofd streek, En met kussen 't lijk bedekte, Dat geen rouw in 't leven wekte, Tot zij, afgepijnd van 't leed, Naast heur offer nedergleed... ................... ................... En het bruidspaar? - Wie zal malen Wat hun boezem ondervond In dien vreeselijken stond? - Bij heur liefste gezellinne, Bij heur trouwe zielsvriendinne Ligt de bleeke Edith geknield. 't Beeld der wroeging en vertwijfling Staat heur Edmund nevens haar; En met aaklig rouwmisbaar
Poogt de vader in zijn armen 't Kind ten leven te verwarmen. ................... Zie, hij heeft zich opgerigt... God! wat vreeslijk helgezigt, Schrikbeeld van vervlogen jaren! Als een schim het graf ontvaren, Zweeft het fluistrend hem voorbij: ‘Alfred Duclis! kent ge mij? Eens, eens heeft uw tyrannij Mij verguisd en 't hart gebroken, Cora is gewroken...’ ................... ...................
Cookies on Poetry Cove