Skip to content
1858

Schaduwbeelden uit Suriname

Anna Ampt

III.

Bemoedigd, vol van hoop en leven, Verkwikt, gelijk 't verschroeide blad, Dat de uchtendzon bepereld had, Nu zij heur hart heeft lucht gegeven, Rijst ze op, en treedt met vluggen voet Den ouden vader vriendlijk tegen. Wat deed die blik zijn harte goed! Want hij, hij had haar lief gekregen, Zoo lief als 't somber, norsch gemoed, Voor zacht en teêr gevoel gesloten, Het eenigst sterflijk wezen mint, Niet wrokkend uit zijn hart verstooten - Zij was zijn meest geliefkoosd kind.

‘Kom, vader!’ sprak ze, en kuste teeder De bruine handen - ‘zet u neder: Hier onder 't lommer is 't nog koel’. En toen, met onderdrukt gevoel, Als de ander somber vóór zich staarde: ‘Zie, vader! blik slechts even om! Hoe heerlijk schoon is toch onze aarde, Den Eeuwige ten heiligdom Geschapen, en den mensch tot woning! Maar gij erkent Hem niet als Koning, Wiens naam de schepping jublend eert; Voor hout en steen hebt ge u verneêrd, En buigt u nog voor valsche altaren, - Maar voor uw God, den eenig waren, Houdt gij uw hart gesloten. Och! De leugenstem van 't snood bedrog Blijft in uw ziele luid weêrklinken - Ik zie u biddend nederzinken Voor 's afgods outer, en - gij weet Van Hem, wien 't Al zijn Schepper heet? Ach! vader, zie! ik durf zoo spreken,

Omdat gij goed zijt voor uw kind, Omdat mijn hart zoo teêr u mint, Maar - 'k sidder om uw drift te ontsteken.... Doch gij zijt niet verholgen ... neen!’ En angstig zag zij naar hem heen, Die ligt in woede los zoû breken. - Een schampre lach speelde om zijn mond, De donkre blikken schoten stralen, En woest uitdagend zag hij rond: - ‘En zoo daar zulk een magt bestond, Wie zal haar wegen ons bepalen? Neen! vraag mij nooit waarom ik meer Mijn God daar ginds dan d' uw' vereer? Maar wilt ge? 'k zal u antwoord geven - Eén vraag dan slechts ... (zij doet u beven, Die ééne vraag? ... of merkt gij al Wat straks mijn antwoord wezen zal?) Zeg, is Hij, wien 'k u daaglijks danken En bidden hoor, de God der blanken?’ En zij sprak doodsbleek, siddrend ‘ja, -’ Terwijl heur blik hem scheen te smeeken

Om niet in smaadreên los te breken. Hij hoorde niet - ‘Maria! Ha! De God der blanke dwingelanden, Hij, Hij verwierp ons, en zij branden Ons 't schandmerk diep op 't voorhoofd in. Wij, die, als 't lastvee in hun stallen, Hun eigendom zijn en gewin, Gevoed, geleerd als 't dier, bij 't knallen Der slavenzweep!! Dát is ons lot, En daartoe, kind! doemde ons uw God....’ - ‘Ach! vader! neen, wij, wij zijn allen, Toch kindren Gods, zijn schepslen; Hij Heeft ons der wreede heerschappij Des blanken meesters onderworpen; Maar, wat Hij over ons besloot, Zijn wijsheid, liefde en magt is groot.’ - ‘En de aard zal onze tranen slorpen, Ons bloedzweet drinken tot den dood? Wij wereloos als offerlamm'ren, Gevloekt reeds van den moederschoot, Gedoemd tot foltring, pijn en jamm'ren,

Wij zullen nog de stramme kniên Voor zulk een Godheid leeren buigen, Die, hoor het zelfs hun leer getuigen, Te heilig is om 't kwaad te zien, En toch den boozen mensch blijft zeegnen, Den dwingeland zijn bijstand biên, Die ons wreedaardig durft bejeegnen, En 't van zijn God gevloekt geslacht Veel minder nog dan 't slagtvee acht?... Neen! zwijg! neen! zeg niet dat er velen Meêlijdend, liefdrijk zijn en goed; Gij kunt mijn bittren haat niet deelen, Den heeten dorst naar wraak, die 't bloed Doet tintelen van wilden gloed; Want gij hebt niet als ik geleden; Zij raapten uit het slijk u op; Mij mogt men als het kaf vertreden; Gij waart hun als de bloesemknop, Die straks de vunze lucht der steden Met frisschen geur vervullen zoû. -’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Schaduwbeelden uit Suriname · Anna Ampt · Poetry Cove