V.
Welk een lichtzee stroomt ons tegen In het duister van den nacht! Wat geschater allerwegen! Hoe men jubelt, joelt en lacht!
Hoe men opziet naar die zalen, Waar de vensters, hel verlicht, Uren ver in 't rond verhalen Van het feest daar aangerigt.
O wat bloemen langs die wanden, Bloemen op den grond gestrooid; Spiegels met vergulde randen Met festoenen opgetooid!
Gouden luchters, zilvren lampen, Beeldengroepen, flonkerpracht, Bloemengeuren, wierrookdampen, Duizend glansen in den nacht!
Welk een uitgekozen weelde Spreidt die feestzaal hier ten toon! Al wat ooit de zinnen streelde Wordt den gasten aangeboôn.
Bruiloft viert men in die woning, Schaatrend houdt de rijkdom feest, En die pracht en praalvertooning Heerscht bij 't huwlijksouter 't meest.
Om zijn hoogst geluk te vieren Geeft de bruidegom 't festijn: 't Kostbaarst moest zijn woning sieren, Zoû die harer waardig zijn.
En de scharen der genooden, Uitgedoscht in 't prachtgewaad, Hoe zij allen háár vergoden Die daar aan zijn zijde staat!
Haar, de schitrende uitverkoren Van den rijken planterszoon, Wie biedt haar geen lof? - te voren Heette Edith by niemand schoon.
Zie, hoe vorstlijk aan zijn zijde, In dat blaauw satijnen kleed, - Och! dat niemand haar benijde! - Zij daar statig henentreedt!
Hoe heur kwijnende oogen stralen Als zij tot hem opziet! - Hij Laat zijn blikken zoekend dwalen... Zoekt hij de éénige aan zijn zij?
Hoor nu! wat liefelijk ruischende toonen 't Schittrend orkest noodt hen uit tot den dans, Jonkers, volleerd in 't huld'gen der schoonen, Zien nu hun wenschen met gunste bekroonen, En aller oog straalt van dubbelen glans.
Zie! hoe zij zweven, en zwaaijen, en zwieren, Hoor! hoe schelklinkend die triplende maat; Zie! hoe die paren in dwarlkringen gieren, 't Purper het bleekste gelaat komt vercieren, Met een begoochelend schoon incarnaat.
Zie! - maar de bruid wordt gevoerd uit de reijen, Naauwlijks begon zij den pijlsnellen wals, Of zij vroeg Edmund haar heen te geleien Waar zij in stilte zich af konde scheijen; Want haar vermoeide het woelen des bals.
Ginds op de sopha, den danskring onttogen, Heeft zij heur hand in de zijne geklemd, Heeft zij heur hoofd op zijn schouder gebogen, Zoekt zij zoo lang en zoo teêr in zijn oogen, Wat hem het harte beknelt en ontstemt.
Cookies on Poetry Cove