Skip to content
1858

Schaduwbeelden uit Suriname

Anna Ampt

VI.

Op de straat en op de stoep Digte drommen, groep bij groep. - Zaamgeschoold in't licht van boven, Wordt men daar een dansend paar Door het raamgordijn gewaar. Hoe men, joelend opgestoven, Hals en armen uitgerekt, Klautrend zich naar boven trekt Om van 't prachtvol feest der grooten, Van die zaal voor 't volk gesloten, Van hun kostbaar feestgewaad, Van het vonklend hoofdsieraad Dier zoo rijk gedoschte vrouwen Iets, hoe luttel ook, te aanschouwen; Op het ruischen der muzijk Vloeit, uit buurt en achterwijk Ras een bonte menigt' zamen Onder de opgeschoven ramen

En wie daar voorbij moet gaan, Blijft een wijle luistrend staan.

Vol begeerte tuurt de jeugd, Tintlende van zielsgeneugt, Naar den wulpschen dans der paren, Sneller jaagt hun 't bloed door de âren Bij die wilde, dartle maat, Die haar ketent aan de straat.

Wie daar gluurt met vonklende oogen Naar die lichte vensterbogen, Niemand die, zoo onverpoosd, Moeite en ongemak zich troost Om, bij 't golven der gordijnen In de breede raamkozijnen, 't Paartje, dat zich ongezien, Onbemerkt waant, te bespiên Dan die vrouw, die na het staren Eensklaps opvliegt en de scharen Zoekend rondsluipt om te ontwaren,

Wie er is en wie verschijnt, Wie er uit den hoop verdwijnt. Van die allen die daar stonden. ................. .................

‘Leila! Ha! in 't end gevonden!’ Krijscht zij, heftig opgewonden, En als in de ziel verheugd - ‘Meisjelief! nu hier gebleven: Doet ook u die bruiloftsvreugd 't Vurig, driftig hartje beven? Kom, uw jeugdig vaste blik Ziet ligt verder hier dan ik, Onderscheidt meer scherp en juister In 't bedrieglijk schemerduister, Die gestalten daar omhoog; Zie dáár, in den vensterboog. Zie die twee, zoo lief gebogen Naar elkander, vurig, teêr,... Zie! gestaâg zoekt hij heur oogen,

Werpt zich aan heur voeten neêr. Is het Edmund, die zijn schoone, Rijke bruid zijn hulde biedt? Maar hij raadt het zeker niet Welk een blik hem thans bespiedt. - Dat uw teêrheid hèm verschoone! Maar, melieve, wie is zij Die daar aanzweeft, schuldloos, blij, Zoo eenvoudig, zoo lieftallig, Uitgedoscht in 't zuiverst wit? Zie! zij buigt zich - hoe bevallig - Lagchend neder naast Edith?’ - ‘Dat is Clara, in wier oogen Ik een ziel vol mededoogen, Stille, kiesche goedheid las, Clara, die me een engel was! - Leila! hier! Kom schielijk nader! Is die grijze heer heur vader? - 'k Weet niets van diens naam noch stand.... Leila!’ - en zij greep heur hand - ‘Hàren naam toch moet gij weten?

- Nooit zal dien mijn hart vergeten: Clara Duclis.’ - Doelloos strak Staarde de oude voor zich henen. De opgespallekte oogen schenen Dof verglaasd - geen zucht verbrak 't Aaklig zwijgen van die vrouwen? 't Scheen als had die lichte zaal Met heur vrolijkheid en praal Beide een helgeest doen aanschouwen? ................. ................. Maar gelach en blij gejoel Klonk van boven, toen de paren, Weêr ten dans zich zouden scharen, En zich menglend in 't gewoel, Zag men Clara, van die schoonen Wel de schoonste. Dartle toonen Klonken weêr door de avondlucht, En, herlevend op 't gerucht, Sprak weêr de oude, en ach! er trilde

Iets zoo vreeslijks in heur stem: ‘'k Meende straks dat gij voor hem Dansen wildet!’ 't Meisje rilde. - ‘Ja, 'k zal dansen, moeder! geef Dan uw drupplen voor mijn bloemen, Deze krans zal 't bruidje roemen Als de schoonste!.... Goed zoo.... 'k beef!... Moeder!!... Ja, 'k zal dansen!!...

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Schaduwbeelden uit Suriname · Anna Ampt · Poetry Cove