II.
‘Bloemen, jonkvrouw! schoone bloemen,
Geurende magnolia's,
Met loranthus zaamgevlochten,
Purperroode azalia's -
Bloemen voegen in uw lokken
Bij het sneeuwwit van uw huid,
Roos en myrthe staat het liefste
In het kroontje van de bruid.
Lieve jonkvrouw! koop mijn bloemen,
Kies de fraaisten uit mijn mand,
Zie het lelietje der dalen
Van uw neevlig vaderland.
Zie het blaauw vergeet-mij-nietje,
Dat aan d' oever 't oog verrast,
Naast dien purpren reuzen-cactus,
Die op onze rotsen wast.
Zie, de bloemenpracht van 't Westen
Huwde ik aan de teelt van 't Noord,
Maar de lelie bloeide nimmer
Aan des woudstrooms ruwen boord.
Maar de middaggloed der zonne
Heeft de roos niet wit geblaakt,
Want mijn vingren hebben kunstig
Al die bloemen nagemaakt.’