Skip to content
1858

Schaduwbeelden uit Suriname

Anna Ampt

I.

Verheven schoone wildernissen Van Suriname! heerlijk oord, Waar nooit de wintervorst van 't Noord Het woud zijn groenen dosch doet missen, Noch 't eeuwig feest der Lent' verstoort! Gezegend noemen we uw landouwen, Een Paradijs uw bloemengaard, Wij, die zoo weinig hier aanschouwen Van 't schoon dat u Natuur bewaart.

Wel zweeft de Lent' langs onze dreven, En wekt heur bloemenkindren op, En roept de wouden tot herleven, En koestert iedren bloesemknop - Maar, ach! daar weent zij bij hun lijken.... Een winternachtkoû kwam zoo guur Langs de uitgebotte blaadjes strijken, En allen zijn verstijfd.... - Natuur, Bij ons verwonnen door beschaving, Moet 's menschen dwang ter wille staan, En biedt zijn honger naauwlijks laving, Zijn weeldedorst geen lessching aan! Maar ginds! in onbebouwde streken, Daar heerscht ze als vrije rijksvorstin. Het rein kristal van stroom en beken Toomt ringdijk, kâ noch schutsluis in; 't Weerkaatst een onbewolkten hemel En palmen, wuivend langs den zoom, Lianen, die, in bont gewemel, Heur bloemtros doopen in den stroom, En, kronkelend van boom tot boom,

Festoenen vormen en priëelen, Bebloemd, veelkleurig, die den gloed Der zon, hel schittrend op den vloed, Naauw gunnen door 't geblaârt te spelen - Ja, eeuwge Lente heerscht alom Dáár onder d' altoos blaauwen dom! -

Nog rijst uit de eenzaamheid dier dreven, Geen stemme des geweens omhoog! Geen handen kermend opgeheven! Geen hart dat zich in de aard bedroog! In vrije weelde zich ontplooijend, Verbloeit de bloem, met bonte pracht De stille wildernisse tooijend, Waar zelden haar bewondring wacht. De boom, dien geen houweel ooit wondde, Wordt door den storm alleen geveld. Geen oog heeft d' oogst des palms geteld, Dien hij ter neêr strooit in het ronde; Geen hebzucht, die, met woest geweld, Den rotsgrond hier zocht om te halen,

Om kostbare ertsen, lang bewaard, Diep onder 't moederhart der aard, Den mensch straks dienstbaar als metalen - Den mensch, die nooit Natuur ontziet, Waar zij hem goud of schatten biedt. Zij draagt nog niet, de vlekkelooze, Den vloek der zonde, 't merk van 't booze; De schepping, dáár nog jong en vrij, Tot geene dienstbaarheid gedwongen, Verzucht nog niet in de ijzren wrongen Der rustloos nijvre maatschappij.

Zoo stil, zoo vol bekoorlijkheden Is 't naauw toeganklijk oord in 't woud, Waar soms een vlugtling zich vertrouwt, En in dien andren Hof van Eden Een hut van riet en blaadren bouwt. - En overvloed, genot en weelde Is 't deel van d' uitgeworpne. Hij, Wien 't lot den vloek der slavernij, Den smaad der wereld toebedeelde,

Voelt zich aan 't hart der schepping vrij! - Zie, achter boomen weggedoken, Bedekt voor 't loerend spiedersoog, Dat schaamle, rieten hutje rooken! Wat spreidt die sombere Ahorn hoog Zijn dichte takken uit, beschermend De hut, van tamarindenhout En geurig mosch en riet gebouwd. 't Is of Natuur, zich mild ontfermend, Dat plekjen schiep een mensch ter woon, Die niets, niets van Gods heerlijke aarde Het zijn mag noemen: zij bewaarde Voor hem in 't woud die bloemengaarde, En spreidt hem al heur pracht ten toon. -

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Schaduwbeelden uit Suriname · Anna Ampt · Poetry Cove