Skip to content
1858

Schaduwbeelden uit Suriname

Anna Ampt

IV.

‘Maar toch, 'k was eenmaal jong, en 't harte, Dat slavenboei en striemen tartte, Sloeg vrolijk, vrij; ik diende trouw Den meester; want dezelfde vrouw, Wier borsten hem als zuigling voedden, Gaf mij het leven. Hij was wreed Voor ieder: wie 't geringst misdeed Werd zwaar gestraft met zweep en roeden. Ik was zijn lijfslaaf, en alleen Genoot ik zijne gunst, zoo 't scheen. Ja! kind! één blanke wil 'k u noemen Die edel was en goed en braaf; Hij leerde ons - en de minste slaaf Zal zeegnend zijn gedachtnis roemen. Met deernis zag hij op ons neêr, En sprak van ... Christus .. aller Heer, Die, ook den Negerslaaf genadig, Hem eens zijn hemel oopnen wil. Wat klonk mij toen die leer weldadig! -

Maar in mijn harte, stroef en kil, Zwijgt thans die stem, voor eeuwig ... duister En dood is alles ... dood ... maar - luister! Ik had een wonderschoone vrouw, De lust van allen, en wij minden Elkaâr met teedre liefde en trouw, Ofschoon geen echt ons zaam mocht binden - De slaaf heeft vrouw, noch kind, noch woon - Maar toch - heur liefde was de kroon, De schat mijns levens. Ach! ik kende Met haar geen jamm'ren, geen ellende; Zij, 't dierbaar kleinood, de eenge schat, Dien de arme negerslaaf bezat, Werd afgescheurd van 't bloedend harte, - Want neen! zij was de zijne niet, - Geen huwlijksrecht geldt voor den zwarte; - Waarneer de meester slechts gebiedt, Dan zelf die banden losgereten, Uw dierst kleinood hem afgestaan, - En rammlend met de slavenketen Uw leêge hut weêr ingegaan.’

............... ............... ‘Is 't niet genoeg dat zij de vruchten Van onzen arbeid, van ons zweet Inoogsten durven? neen! de zuchten, Ons afgeperst door foltrend leed, Zij mogen niemands boezem treffen, Geen slaaf ook die van liefde weet... Geen die één hart het zijne heet! Die blanke beulen! ô, beseffen Zoo juist wat ziel en ligchaam moordt, Dat hij wien niets op de aard behoort, Dan lijden, en het snerpend koord, Niet eens zijn stemme durft verheffen, En, als het dier aan tucht gewend, Niets dan der dieren zelfzucht kent. Maar ik, helaas! was niet onwetend, Noch stomp van geest, als de andren, - toch Hield mij een donkre waan geketend, En deed mij 't snood en zwart bedrog Nog billijk achten en rechtvaardig;

Ha! 'k eerde nog den blanken man, Die 't bloedzweet van ons vordren kan! Hem achtte ik onze trouwe waardig. Maar, neen! hij eischte naamloos meer, Hij vorderde de vrouw mijns harten .... En durfde hij mijn rechten tarten, De lafaard vreesde nog te zeer Mijn sterken arm, mijn tegenweer, Om met geweld haar mij te ontrukken - Neen, heimlijk zou hij 't roosjen plukken, En ik bevroedde, doch te laat! Het valsch beraamde, helsch verraad. Men had reeds maanden lang heur gangen Bespied met nijdig loerend oog, En 't offer, dat hun list bedroog, Viel in hun macht. - Met zoet verlangen Keerde ik tot haar die me alles was, Wier glimlach iedre wond genas, Dien zonneschijn van heel mijn leven. Bang voorgevoel deê 't hart mij beven Toen 'k eens des avonds binnen trad,

En nog geen stem vernomen had, Die reeds van verre, blij te moede, Mij welkom heette ... Bang en luid Riep ik heur naam, en gilde 't uit, En stormde, vol vertwijflings woede, Het veld op, tot de morgenstond Mij aan de deur des meesters vond. De slaaf kwam thans om recht te vragen, Recht van den blanken meester! Neen! Hij zou niet week lafhartig klagen, Niet onder tranen en geween Genade smeeken ... recht alleen, Voldoening eischen, - geen genade! Ha! 'k zie hem nog, den helschen lach Waarmeê hij op mij nederzag, En spottend sprak: “Gij komt te spade; Behoort gij allen niet aan mij Met lijf en ziele? Twijfelt gij? Of wilt gij meer van 't liefje weten, Dat gij uw vrouw zelfs hier durft heeten, Zoo weet dat zij mijn gunst geniet!” -

‘Dat ik hem toen niet nederstiet, Of, woedend op hem toegesprongen, Gelijk een slang, die in heur wrongen Heur prooi verbrijzelt, 't ondier toen Niet heb vermorzeld, haar ten zoen - Dat weet ik zelf niet - mij te wreken Was zeker toen mijn doel niet, neen! Ik zocht met kahmen ernst alleen. Nog tot zijn goeden geest te spreken: En, “Massa!” - riep ik - “God ziet neêr Op mij als slaaf, op U als Heer. Zoo onze levens u behoorden, De vruchten van ons werk, ons zweet, Uw eigendom op aarde heet, Gij moogt, gij zult de ziel niet moorden, - Want die behoort geen mensch, maar - God!” Toen sprak hij met verbeten woede, En grijnzende vol helschen spot: “Als zestig slagen niet de roede U snerpen over 't bloedend lijf, Dat die gedachte, zoo verheven,

Ook dan u troost en balsem blijf! Maar eerst zal ik een les u geven: Gij slaven zijt 't gedoemde ras, Dat God van ouds een gruwel was, Gevloekt reeds in uw stamhoofd; allen, Van 't recht van ons geslacht vervallen, Zijt gij in onze hand gesteld! - Wie U die leugen heeft verteld Dat uwe ziel bij God iets geldt, Heeft u bedrogen. - Leidt hem henen!”’ ‘O 't was me als of een huivering Door 't merg van mijn gebeente ging! Ik voelde 't kloppend hart versteenen! De slagen, de vernedering Der gruwbre straf, het zou niet halen Bij d' enklen slag, en 't vreeslijk woord - Hij had mijn goeden geest vermoord, Nu moest het booze ook zegepralen.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Schaduwbeelden uit Suriname · Anna Ampt · Poetry Cove