VII.
De deuren slaan open - wat fee zweeft daar in, Zoo schoon als geen fabel kan malen? Zoo schittrend en trotsch als een Oostervorstin, Met oogen zoo zwart, waaruit schalleksche min Of machtige hartstocht moet stralen?
Zij nijgt, - en blikt tartend de danszaal in 't rond, En houdt aller blikken gekluisterd; En 't spreekt uit den spotlach, die zweeft om heur mond,
‘'t Is Leila, wier vuurblik de harten doorwondt En 't schoon van de schoonsten verduistert.’
Nu windt zij den prachtvollen shawl om de leên, Met gouddraad en paarlen doorweven, En zwaait dien, in golvenden boog, om zich heen, En toovert op eens weêr de slippen uitéén, Die wolkend heur voorhoofd omzweven...
Zoo vangt zij een dans aan, die allen ontgloeit, Een dans zoo als geen mocht aanschouwen, Wanneer ze, als op vleugels, in draaikringen roeit Of pijlsnel, als had zij met feeën gestoeid, Terug ijlt om 't veld te behouën.
Heur dans is geen spel, neen! 't is kunst-ideaal, Als nooit Bayadère bezielde; Heur houding, gebaren, 't is 't gloeijend verhaal - Geen stem zoo wegslepend, zoo schokkend geen taal - Van 't hart dat de wanhoop vernielde.
En als zij heur shawl als ten bloemkorf ontplooit, En achtloos heur bloemen en kransen Al lagchend in 't hair van de jonkvrouwen strooit En zelve met bloemen den boezem zich tooit Bij 't luchtige en sierlijke dansen
Dan spreekt zij, op roerend lieftalligen toon, Van 't argeloos, zorgeloos leven Der jublende kindsheid, aan 't leed ongewoon, Van de aard', steeds in de oogen der onschuld zoo schoon, Als droomen ons dartlend omzweven.
Zoo mist er geen enkle beweging heur doel, Bezield zijn en houding en trekken; En staat ze als een standbeeld zoo roerloos en koel, Toch weten heur blikken, vol tintlend gevoel, De hoogste bewondring te wekken.
Als waren heur voetjes bevleugeld, zoo snel, Zweeft Leila de zaal op en neder; Maar sierlijk, bevallig is 't kunstvolle spel,
Al wordt ook het vuur in heur blikken te fel, De blos op heur wang toch blijft teder.
De dans nu wordt dwarlend, en gierend en wild, - Bewondering klimt tot vervoering - Daar deinst zij, en wankelt, en siddert, en rilt.... De bloemkrans ontvalt aan heur hand, en die trilt, En bleek is heur wang van ontroering.
Zoo staat zij aâmechtig voor de oogen der bruid, - Die schittert van trots en van hope - Terwijl zij, als droomend heur armen ontsluit, Dan siddert als had ze op een adder gestuit, En vlucht als de woud-antilopé.
Cookies on Poetry Cove