IV.
‘Schielijk, moeder! wil mij even Ietwat van uw druppels geven! 'k Meen dat sterk welriekend vocht, Dat den glans geeft aan de kleuren, Met den reuk van balsemgeuren, Voor de kransen die ik vlocht.
Dees van witte en roode rozen Heb ik zelf voor haar gekozen, Die zoo goed en vriendlijk was, In wier zachte duivenoogen Ik, voor 't eerste, mededoogen ‘En de reinste goedheid las.
Deze witte oranjebloesem Sier den hooggewelfden boezem Van die bleeke, trotsche bruid, Ha! het kroontje voor heur lokken, Van dien balsemgeur doortrokken, Voegt wel bij die fledsche huid.
Edmund zal Edith nooit minnen, Nooit zal zij zijn hart verwinnen, Zij bezit geen schoon dat boeit! Geen dier teedre aanminnigheden, Die de hechtste keetnen smeden, Voor het hart daardoor ontgloeid.
Daarom noem mij vrij slavinne, 'k Blijf zijns harten koninginne! Dat is alles wat ik wil - Neen, het vuur van hàre kussen Zal zijn gloed voor mij niet blusschen, Want heur hart is trotsch en kil.
Bruidje, dat mij straks wou hoonen, Ik zal mij uw meerdre toonen! Buigen zult gij voor mijn magt, Als ik hem weet te verteedren En uw hoogmoed te verneedren, Die mij nu zoo diep veracht!
Schielijk, moeder! mijn sieraden, 't Oostersch kleed, met gouden draden Rijk doorweven,.... 't halssnoer - geef! Ik zal dansen, 'k zal betoovren.... 't Wispelturig hart heroovren.... Hem weêr boeijen!.... Ha! 'k herleef!
Schielijk! Geef mij nu mijn kransen: Op zijn bruiloft zal ik dansen, En verruklijk wil ik zijn! Aan mijn blikken zal hij hangen, Tot de blos op hàre wangen Wegsterft bij die zielepijn!’
Zoo sprak zij, de onzaalge! zij wist niet, helaas! Hoe zondig heur vreugd was, hoe roekloos en dwaas De kans, die heur hoogmoed ging wagen. Wat wist zij, 't verwaarloosde kind der natuur, Van de almacht des rijkdoms, die ligt in één uur Het hart van zijn boei heeft ontslagen.
Zij wist niet wat blik haar beloerde, wat slang De roos reeds vernielde, die bloeide op heur wang, Wat adem haar woei ten verderven; Wat gif men ging druplen in 't pijnlijkst der wond, Wat vreeselijk doel aan heur doel zich verbond', Wie 't gloeijende hart zoû doen sterven.
Cookies on Poetry Cove