III.
Dus zong het bloemenmeisje - de sierelijke mand Bood zij, bevallig nijgend, en wuivend met de hand, Der jonkvrouw, die zoo kwijnend, met lusteloozen zin, Daar neêrlag op de sopha, terwijl heur lijfslavin Met rijkvergulde waaijers haar koeling tegenwoei, Als lieve morgenzephirs, bij dartlend windgestoei. Maar naast die bleeke jonkvrouw zat nog eene andere neêr, Heur koontje droeg nog blosjes, heur tint was minder teêr, Die was nog jong en dartel, vol lust en levensgloed, Die had nog frisch in de aadren het spranklend Hollandsch bloed. ‘Zeg, Clara! - sprak de jonkvrouw; met smachtend, kwijnend oog, En hief zoo mat, zoo vadzig, het blonde hoofd omhoog, Wat dunkt u van die bloemen wel voor mijn bruidstooi? Zoû Zulk kransje voegzaam wezen als ik met Edmund trouw? Kom, kind! - dit gold het meisje - pak fluks uw bloemen uit, Laat zien, voldoen die kransen als tooisel voor de bruid, Die morgen reeds de gade van rijken Edmund wordt?’ - ‘De roos is als de schoonheid der jonkheid ras verdord, Bekorelijke Jonkvrouw! maar deze welken nooit,
Zie, hoe 't bevallig knopje zich uit die blaadren plooit. Magnolia's zijn prachtvol, 't zijn kindren van de zon, Die nooit uw neevlig Noorden zoo schittrend verwen kon; Fleds, kleurloos schijnt die anjer, doodsch bij de kleurenpracht, Waarmeê dees heerlijke iris u vonklend tegenlacht. Aan al die fledsche bloemkens heb ik meer zorg besteed Dan 'k aan de purpren kelken, den grootschen cactus deed: Zoo ook behoeft het meisje, dat arm aan schoonheid is, Den rijken tooi des opschiks, des sieraads pronkvernis. -’ ‘Wel, kind! hoe wijs gesproken! doch spaar me uw lessen vrij. Foei, Clara! hoe gij schatert? uw lagchen hindert mij, Dat meisje, zoo vermetel, is wis een slavenkind, Dat door bedrog en sluwheid het loon der schande wint, En gij lacht om zulk ééne?’ ‘Maar toch, Edith! ze is schoon.’ Sprak de andere en weêr klonk er iets spottends in heur toon, ‘Heur kleeding ook is sierlijk; het bonte hoofdsieraad, Zoo los om 't hoofd gestrengeld, voegt bij dat lief gelaat, Edith! ach, zie dat knaapje, dat heerlijk knaapje! zie, Hoe blank dat open voorhoofd, wat schittrende oogen, die Zoo schalksch ondeugend me aanzien, vol dartle jokkernij.
Kom hier, aanvallig jongske! zie kier wat schoons! en gij, Niet waar, gij zijt zijn zuster, hij heeft uw donker oog, Dat eigen blanke voorhoofd, dien fijnen wenkbraauwboog - En toch zijn blonde hairen, dat lachjen om den mond Doen mij aan Edmund denken. Wat kijkt gij driftig rond Edith!’ ‘Pak weg die vodden, en spoed u ijlings heen! Uw bloemen en uw kransen zijn smaakloos en gemeen, Gemeen, gelijk gij zelve mijn oog ondraaglijk zijt!’ En in heur fleds blaauwe oogen ontvonkte een straal van nijd, Het vuur in Leila's blikken werd aaklig, fel en woest, En had dat vreemd vermogen, waarvoor men huivren moest; Zij zweeg, maar in den vuurblik, dien ze op de jonkvrouwsloeg, Waarmeê ze lang haar aanzag, sprak toch verwijt genoeg - Verwijt? neen, vreeslijk dreigend, sprak doodelijke haat In 't fier gemoed van 't meisje, gewekt door zulk een smaad. Heur houding werd zoo dreigend, zoo grimmig werd heur blik, Dat zelfs de trotsche jonkvrouw inéénkromp van den schrik, En zacht en angstig zeide: - ‘Dees bloemen kies ik niet, ‘Maar zoo ge morgen avond me een andren bloemkrans biedt,
Van witte oranjebloesem, vraag 't dubble van den prijs, En ik beloof u meer nog, als eerste gunstbewijs, Mijn voorspraak in de kringen der grooten van de stad, Waar altoos mijne meening den hoogsten bijval had.’ - ‘Gij zult gediend zijn, Jonkvrouw! en zeker naar uw zin; Mijn groet - ô schoone dames!’ - - ‘Hoor, Clara! die slavin’ Dus sprak Edith, maar fluistrend, als op den corridoor 't Geruisch des ligten voetstaps van 't meisje zich verloor. - ‘Zij heeft iets onheilspellends, iets dreigends in heur blik, Dat mij het hart doet bonzen van ongekenden schrik. Iets vreemds en geheimzinnigs omzweeft dat schepsel. 'k Beef, Ach! of mijns bruigoms glimlach die bange vrees verdreef!’ - ‘Hoe nu, sprak Clara lagchend - mijn herte is niets bevreesd! Buigt zulk een nietig wezen de veêrkracht van uw geest? - Maar neen! 'k wil ernstig spreken. Uw hoogmoed heeft zijn loon, Gij spreekt zoo trotsch minachtend op zulk een norschen toon, Tot slaven en geringen, tot de armen, als of gij Niet zijt van 't zelfde maaksel, het zelfde stof als zij! Wat zegt voor 't oog des Eeuwgen de rang, dien 't lot ons geeft, Wanneer geen warme liefde in onzen boezem lecft,
Die in den slaaf zijn naaste, den armen broeder ziet, In liefde tot hem neêrbuigt, hem hulp en bijstand biedt? O, 'k heb het niet vergeten, hoe ginds in 't vaderland De werkman ook geëerd wordt, en de allerlaagste stand Geen smaad en geen verguizing, maar aller deernis vraagt. En mij is 't of de schaamte me een blos op 't aanschijn jaagt, Wanneer 'k u hoor bevelen op altoos wreevlen toon, Hen tergen door verachting, hen, slechts aan smaad gewoon, On billijk hen bedreigend met straffen, hard en wreed, Alsof 't gevoel der menschheid niet bij hun klachten leed. Edith! zijt gij dezelfde? Gij vroeger zacht en goed? - De lucht verteerde uw blosjes, verpestte uw rein gemoed.’
Cookies on Poetry Cove