3.
Oorlóf, Prinsés, triumfant zeer gepreezen,
Als my de keel wat gesmeerder zal weezen,
Zal 't béter gaan met mélodye bloot;
Want ziet, ik zing als een Bok, óf een Eland,
Zonder het wyntje la la Jufvrouw Vreeland;
Laat dan ééns tappen, liefste Lief minjoot.