2.
Ik wil my laaten hénken,
Zo gy ééns zult dénken
Om Péls, óf zyn pyn:
Uw' lonken, uw wénken,
En al uw beschénken,
Dat doet 'er my krénken,
Omdat ik niet tót uwent mag zyn.
Maar deedt je zo 't voegt,
Ik was vergenoegd,
En maakten een Jaargedicht dat j'er om loegt;
Dat is, dat je een Fluit
Vol schonkt tót den boorden,
Naast vólgende woorden,
En dronkze schoon uit,
En dat op den voet
Van Péls, och! dien bloed,
Ze doet hem zo zeer,
Mejuffer, zo hoorden
Uwe ooren straks wéêr.