Skip to content
1732

Lusthof des gemoets

Alle Dercks

Op de wijse: Nu laet gy, Heer, oprecht. MYn ziel maeckt groot den Heer, Mijn geest verheugt hem seer, In mijnen Godt vol trouwen: Hy is mijn saligheyt, En wil oock de kleynheyt, Sijner dienstmaeght aenschouwen. 2. Siet hierom sullen my, Alle geslachten vry, Wel gelucksaligh achten: Want onsen Godt seer goet, Groote dingen nu doet Door sijn hant sterck in krachten. 3. Heyligh is sijnen naem: En zijn goetheyt bequaem, Sal eeuwighlijck beklijven, Van kints kind'ren voortaen, Voor hen die recht wel gaen, En in Godts vreese blijven. 4. Een schoon en heerlijck werck, Door zijn arrem seer sterck, Heeft gedaen Godt almachtigh. Hy heeft de stoute quaedt, En hares herten raedt, Tot niet gemaeckt seer krachtigh. 5. Die stout zijn in hoogmoet, Vol van eer en van goet, Heeft Godt neder gedreven: En die arm zijn en kleyn, Heeft zijn goetheyt alleyn,

Seer heerlijck nu verheven. 6. Die arm zijn na den Geest, Den welcken hongert meest, Verstaet de Heer gepresen. Die rijck zijn vol en groot, Heeft hy ledigh en bloot, Van hem vry afgewesen. 7. Hy verheft Israel Sijn Soon, en gedenckt wel Aen zijn groote genade, Soo hy heeft Abraham, En 't Volck dat na hem quam, Toegeseyt vroegh en spade.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Lusthof des gemoets · Alle Dercks · Poetry Cove