Skip to content
1732

Lusthof des gemoets

Alle Dercks

Op de Wijse: O Christus Godt, Heere van groter waerden. O Christen Broederen in 't generale, Neemt dees' tijt wel in acht, Al schoon dat het ons hier nu altemale, Schijnt na den Vleesche sacht: Maer houdt wel goede wacht, Dat gy na Syrachs leeren, (Als 't u wel gaet met vlijdt)

In de vrese des Heeren Blijft, want om te verkeren, Gy dan groot prijckel lijdt. 2. Neemt hier doch in vry tot uwen voorbeelde, Hoe ras dat Israël, Doen sy saten in Vrydom ende weelde, Verlieten Godts bevel: O! dat het vleesch rebel Hier toe ons oock niet brachte, Dat men ons 's vleys gerack, Om blijven wonen sachte, Godts gebodt niet kleyn achte, Maer liever ly'en ongemack. 3. Hoe-gansch niet, hebben ons vrome voorsaten, Angesien sweert noch vyer, Ia hier haer leven hebben sy verlaten, Om Godts woort goedertijer, Doen heeft de liefde fijer Gebrandt, seer hoog verheven, Maer waer is 't met ons veel In desen tijt gebleven? Als wy om een vry leven Schier doen het tegendeel. 4. Nu elck wil noch neerstelijck sorge dragen, Om tegen sijn gemoet Niet te doen om menschen te behagen, Door raet van vleesch en bloet, Maer veel liever met spoet, Om Godts woort te verliesen 'S werelts vrientschap, en dat Meerder is (hoogh om prijsen) Voor sijn deel te verkiesen Als daer zy 's Hemels schat. 5. Maer 't schijnt nu wel een tijt om te beklagen Want men door 's vleeschs voorspoet, Den loop na 't Hemelsche seer siet vertragen, Nu men om 't aertsche goet,

Soo veel neerstigheyt doet, Om dat by een vergaren, Om hier soo eenen schat Sijn kinders voor te sparen, 't Welck dient tot groot beswaren Om gaen den rechten pat. 6. Want men door dees sorgvuldigheit versmoren Kan, seer lichte Godts woordt, Soo dat men geen vrugten daer uyt kan sporen, Noch licht sien komen voort, Soo nochtans wel behoort, Uyt ons een licht te spruyten, Dat na Godts wille fijn Lichte binnen en buyten, Wil wy door 's Geests virtuyten, Anders Godts kinders sijn. Pause. 7. Maer de Heere sijn Kinderen of Sonen Kastijdt, soo schrift uytleght, En wie als bastaerden nu schier heen wonen, Sonder des kruys anvecht: Wy mochten wel met recht Bidden in dese tijden: Wilt O Heer sonder swijck Met mate ons Kastijden: Want beter hier te lijden Dan namaels eeuwiglijck. 8. Want wy ter Saligheyt nu wel behoeven, Dat gy het ondervondt, Hoe of wy 't meynden, ende gingt beproeven, Alle ons herten grondt; En soo wy t' eener stondt Gingen op kromme wegen, Soo wilt ons doch met vlijdt, Door u genadigh slegen Leyden weder ter degen, Terwijl het noch zy tijt.

9. Och vrienden 't schijnen nu de laetste dagen Daer van de schrift voor-segt, Een droevigen tijt, wel om te beklagen, Want het geloof oprecht, En liefde vlieden wech, Soo men anschout met pijnen, En 't licht als nu present, Begint doncker te schijnen, Ia by-na te verdwijnen Dat men 't nae u meer en kent. 10. Och het sijn wel beklagelijcke saken, Dat het alsoo toegaet, Och of wy noch eens recht mochten opwaken, Eer dat het werdt te laet: Anders vrienden, wat raet? T' onser baet niet ten besten Isser, dus laet ons weer Liefd' in ons herte vesten; Oorlof hier mee ten lesten, Beveel ick u den Heer. A.W.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.