Skip to content
1732

Lusthof des gemoets

Alle Dercks

Op de wijse: Gabriel was van Godt gesonden. HEft op u hert opent u ooren, Gy aerdtsche menschen die hier meent Dat u de goed'ren toebehooren, Die u maer sijn van Godt geleent. 2. Gebruycktse wel na sijn behagen, Aelmoessen geeft soo hy gebiedt, Vervult den noodt van die u klagen, Ontreckt u dijnen vleysche niet. 3. Maeckt vrienden nu in dese tijden, Van 't geen hier onrecht rijckdom hiet; Op dat gy namaels meugt verblijden, Door 't loon, dat gy weder geniet. 4. Vergadert u een schat hier boven, Die van geen roest verdorven werdt, Noch daer de dieven niet na Roven, Sendt daer de liefde van u hert. 5. Uyt liefde wilt u doch Erbarmen, Laet niemandt droevigh van u gaen, Al soudt gy zelfs daer door verarmen: Want Christus heeft alsoo gedaen. 6. Neemt geen uytstel, seght niet koomt morgen, Soo gy het heden magtig zijt, Godt sal u wederom versorgen, Wanneer gy tot hem bid met vlijd 7. Al zijt gy weynigh van vermogen, Ontsluyt u hert en geeft getrouw: Want groot geacht zijn in Godts oogen, De mijtjes van de weduw-vrou. 8. Niet spaerlijck wilt u weldaet zayen Want soo gy rijckelijck uytlangt, Soo sult gy overvloedich mayen Een volle mate gy ontfangt. 9. Wilt van vergeldingh u onthouden,

Leent daer gy niet hoopt te ontfaen, Het sal u weder sijn vergouden, Als de Rechtveerdigen op staen. Pause. 10. Eer-gierig laet het niemant weten, Want of het heymelijck geschiet, U Vader sal het niet vergeten, Die 't alles in 't verborgen siet. 11. Vriend'lijck en willigh wilt u toonen, Om goet te doen hebt geen verdriet; Godt sal het u gewillich loonen, Als de vergeldinge geschiet. 12. Voornamelijck sult gy de vromen Geloovigh zijnd' in Christi naem, In haren noot te hulpe komen, Als Ledekens van sijn Lichaem. 13. Oock niet te min vroegh ende spade, An alle Menschen bystant doet: Want Godt geeft beyde goed' en quade, Sijn vriendelijcke gaven soet. 14. Want alsoo moet gy u bewijsen Als kind'ren Godts, dat sy mitsdien Uwen hemelschen Vader prijsen, Die uwe goede wercken sien. 15. Almoes uyt liefde an den armen, Den Menschen van sonden geneest: Want Godt sal wederom ontfarmen Die hier Barmhertig zijn geweest. 16. Tijd'lijck en eeuwigh sy bevinden, Godts liefde met een groote vreugt Die haer des armen onder-winden, Want ongeloont bleef nooyt de deught. 17. Gelijckerwijs oock daer en tegen, Een strengh oordeel sullen ontfaen, Die geen barremhertigheyt plegen, In 't eeuwich vuir sullen sy gaen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Lusthof des gemoets · Alle Dercks · Poetry Cove