43.
't Geslacht van God en mensch
Scheidt de onuitwischb're grens:
Blijft niet het duister Morgen
Ons vorschend oog verborgen?
Maar wezen en verstand
Vlecht tusschen God en mensch den band.
Want menschenkracht
Rust niet eer zij wat godd'lijk is, volbracht;
Een kracht uit God,
Omdat zij, altijd versch, al wat haar dreigt, bespot.
Ze ontwringt zich elken boei
Tot nieuwen groei en bloei,
En moet in blijde zangen
Des dichters hulde ontvangen.
Nemea VI.