46.
Hoe wiss'len voor ons broos geslacht,
Als voor het veld, de vruchtb're en dorre jaren!
Nu kiemt en spuit de schoonste kracht!
't Staat alles blank van bloesempracht!
Straks is de menschheid moede van te baren.
Dan wordt vergeefs een blijk gewacht,
Dat wat nog komt, wat was, zal evenaren.
Nemea XI.