17.
Acht dát eerloon boven alles,
Welks geheele waarde hangt
Aan de waarde van den eed'le,
Uit wiens hand gij 't loon ontvangt.
Of:
Hange al de waarde
Van 't eerloon af
Van die des eed'len,
Wiens hand het gaf!
Anders:
Plant ons een God de' olijf, waaraan men 't eerloof plukt,
Dat hem, die overwon, het edel voorhoofd drukt,
Dan moet bij dit bescheiden eereteeken
De luister ook der hoogste kroon verbleeken.
Olympia III.