5.
Die den held tot grootheid riep,
Legde ook in het dichterhart
't Wèl doordacht, onsterf'lijk lied,
Dat het groote roemt als groot;
Dat de heilige eerzucht wekt,
Moeder van der helden kracht;
Dat een dom gepeupel toont,
Wien 't zijn palmen wuiven moet.
Wat de wind is voor het zeil,
Wat de regen voor het land,
Is de zanger voor den held!
Olympia XI.