6
Niet meer voor mij zelven hopend,
Vind ik levenslust noch kracht,
Dan die spreekt uit kinderoogen,
Van hun mond mij tegenlacht.
Niet zijn zij de schat van 't leven:
't Leven zelf in al zijn geur!
Wij 't verleden, zij de toekomst!
Wij de schaduw, zij de kleur!
Hun bestemming zien we in 't licht niet
Van wat ons de ervaring bracht;
Neen! in 't licht van dat Volkoom'ne,
Dat het hart voor wie het liefheeft niet slechts hoopt,
(maar vast verwacht.