4.
Te scheiden wat door Allah werd verbonden,
Te storen wat harmonisch werd gedacht:
't Is de een'ge bron, de wortel aller zonden;
En stort de ziel in ondoordringb'ren nacht!
Voel, sterv'ling, diep 't verband der dingen, in wier midden
Eén heil'ge taak u voegt: te danken en te aanbidden!
Te danken! Want Hij riep u tot het leven.
En daalt gij straks een wijle neêr in 't graf:
't Duurt kort. Hij zal op nieuw u 't aanzijn geven,
Wiens macht reeds eens uit stof u 't aanzijn gaf!
Te aanbidden, ja! want zie, wat eerkroon siert uw slapen!
Werd niet, wat Allah schiep, om uwentwil geschapen?