34.
Hij worstelt met zijn God
In onbedwingb're kracht,
En eischt dat de eeuw'ge wet en wil voor zijn verlangen buigen.
Een wufte wereld lacht:
‘o Dwaas, gij tart het lot’!
En ziet niet, van wat afkomst juist die strijd en dwaas -
heid tuigen.
Olympia IX.