11.
Al Gods werken zijn schoon! Zij schijnen, zij vonk'len en glanzen;
Kleuren tint'len in weelde op 't schitterendst bloementapeet;
't Luchtruim baadt in den gloed van gouden, verblindende stralen;
Starren tooien den nacht, dien bliksem in daglicht verkeert;
Veld en beemden zijn jong, omhangen met kleurigen bloesem;
's Winters stramheid! u koestert sneeuw met zijn hagelwit dons;
Pluimen wuiven omhoog op dansende, dart'lende golven;
Straks bedwingt al wat vloeide een boei van doorschijnend kristal:
Schitter, mensch'lijke geest! zoek de' edelsten roem te verwerven,
Eer is beter dan goud; een Godszoon, wie glorie bemint.
Isthmia IV.